Daniel 11

1) nu,

Dit spreekt nog de engel, die in het Dan. 10: had aangevangen met Dani‰l te spreken.

2) stond in het eerste jaar van Darius den Meder,

Hebreeuws, mijn staan was.

3) om hem te versterken en te stijven.

Te weten om Darius bijstand te doen en zijn rijk vast staande te houden.

4) de waarheid te kennen geven;

De rechte en ware vertelling van den toekomenden stand van het Perzische rijk en van uw volk.

5) nog drie koningen in Perzie

Te weten na Cores. Deze drie zijn [gelijk sommigen menen] Cambyzes, Smerdis, Darius Hystaspes en de vierde is Xerxes. Anderen [die Smerdis voorbijgaan, omdat hij onwettelijk onder den valsen naam van Smerdis den zoon van Cambyzes het koninkrijk ingenomen en maar zeven maanden geregeerd heeft] tellen deze koningen aldus: Cambyzes, Darius, Xerxes, die de laatste is van de drie, de vierde van Cyrus af te rekenen, die de eerste monarch in Perzi‰ was.

6) opstaan,

Dat is, met macht regeren over de gehele monarchie. De engel wil niet zeggen dat er geen koningen meer in Perzi‰ zouden volgen, maar dat de koningen, die na die vier zouden komen, van tijd tot tijd kleiner van moed en macht zouden zijn, en dat Alexander het leed, door Xerxes Griekenland aangedaan, zou wreken.

7) de vierde

Te weten Xerxes, de zoon van Darius Hystaspes, die al de koningen der Perzen in rijkdom is teboven gegaan; eerst genoemd een schrik, daarna een spot van Griekenland.

8) al [de anderen;]

Te weten koningen van Perzi‰.

9) allen verwekken

Te weten al zijne onderzaten, onder zich hebbende honderd zeven en twintig provinci‰n, Esth. 1:1.

Es 1.1
10) een geweldig koning opstaan,

Te weten Alexander de Grote, die de Perzische monarchie onder zijn gebied gebracht heeft, mitsgaders nog andere koninkrijken meer.

11) hij zal doen naar zijn welgevallen.

Dat is hij zal gelukkig en voorspoediglijk uitrichten alles wat hij in handen nemen zal, want God was met hem, besloten hebbende hem tot een monarch te verheffen. Zie Dan. 7:6, en Dan. 8:5.

Da 7.6 8.5
12) staan,

Dat is, als hij zal gekomen zijn tot zijn hoogste geweld en bloei.

13) in de vier winden des hemels verdeeld worden,

Zie boven Dan. 8:8.

Da 8.8

14) maar niet aan zijn nakomelingen,

Dat is, niet aan zijne kinderen, noch bloedverwanten of nakomelingen. Alexander de Grote heeft twee zonen nagelaten, te weten Alexander uit zijne huisvrouw Roxane, en Hercules uit Barsine, welke beiden door Cassander gedood zijn, opdat hij het rijk van Macedoni‰, na den dood van Alexander den Grote, mocht innemen.

15) niet naar zijn heerschappij,

Dat is, niet met zulke macht en heerschappij als hij geheerst en geregeerd heeft.

16) uitgerukt worden,

Het is in vier delen verscheurd geworden.

17) voor anderen dan deze.

De zin is dat de monarchie van Alexander, na zijn dood zou verscheurd en verdeeld worden, en dat zijne kinderen of nakomelingen, gelijk in het voorgaande gezegd is, geen deel daarvan krijgen zouden, maar vier vorsten, die van zijnen bloede niet waren, zouden het onder zich delen.

18) de koning van het Zuiden,

Dat is, de koning van Egypte, te weten Ptolomeus, de zoon van Lagus.

19) een van zijn vorsten is,

Te weten een der vorsten van Alexander den Grote. En versta hier door vorsten landvoogden of stadhouders.

20) [een ander]

Te weten Seleucus Nicanor, koning van Syri‰ en Babyloni‰.

21) dan hij,

Te weten van Ptolomeus Lagus.

22) Op het einde nu van [sommige] jaren,

Te weten nadat zij enige jaren tegen elkander zullen geoorloogd hebben; te weten omtrent zeventig jaren na den dood van Alexander den Grote, naar sommiger rekening.

23) zij zich met elkander bevrienden,

Te weten de koning van Egypte Ptolomeus Filadelfus, de zoon van Ptolomeus Lagus, en de koning van Syri‰, Antiochus Theos, de neef of zoonszoon van Seleucus Nicanor.

24) de dochter des konings van het Zuiden

Genaamd Berenice, de dochter van Ptolomeus Filadelfus.

25) zal komen tot den koning van het Noorden,

Dat is, zal trouwen met Antiochus Theos; dat is Antiochus de god, koning van het noorden; dat is, van Azi‰, en van Syri‰, aan het noorden gelegen, ten aanzien van het Joodse land.

26) om billijke voorwaarden te maken;

Hebreeuws, om billijkheden, of richtigheden te maken; dat is, om de zaken te beslechten en effen te maken. Anderen nemen het op het huwelijk van Berenice en Antiochus Theos, waarvan de engel zou spreken naar hunlieder mening, hoewel het inderdaad geen billijk werk was, maar een gruwelijke bloedschande, want de huisvrouw, die Antiochus Theos toen al had, was de zuster van Berenice, bij welke hij twee kinderen had, daarom heeft de Heere dit huwelijk vervloekt, en in stede van vrede is er een bloedige oorlog uit ontstaan.

27) zij zal de macht des arms niet behouden,

Dat is, Berenice zal niet zijn als een sterke arm, om te maken dat de vrede tussen die beide koningen bestendig blijve. Anders: Doch de arm zal de kracht niet behouden. Zie boven Dan. 2:43.

Da 2.43

28) hij, noch zijn arm,

Te weten Ptolomeus, koning van het zuiden met Berenice zijne dochter, die hij gebruikt als een arm, om een vasten vrede te maken. Anderen verstaan door hij, Antiochus Theos, en door zijn arm zijne kracht.

29) zij zal overgegeven worden,

Te weten Berenice, en het gezelschap dat met haar gekomen was, mitsgaders haar vader en haar man, die haar gesterkt en groot gemaakt heeft, verstotende haar zuster Laodice, die hij tevoren getrouwd had; zij zullen altemaal van den Heere gestraft en in de handen van hunne vijanden overgeleverd worden. Laodice heeft haren zoon Seleucus Callinicus opgeruid, dat hij de stad, in welke Berenice was, belegerd heeft; die overwonnen hebbende, heeft hij Berenice met al haar gezelschap gedood. Ook is Antiochus Theos door venijn van Laodice ellendig omgebracht. Zie Appianus van de Syrische oorlogen.

30) die haar gegenereerd heeft,

Anders: en die van haar geboren is, te weten haar jongste zoon, die toen nog een kind was, maar hij is evenwel mede omgebracht.

31) die haar gesterkt heeft in die tijden.

Te weten Antiochus Theos, die Berenice verheven heeft tot de koninklijke macht en grootheid, verstotende haar zuster Laodice, zijn eerste huisvrouw, die hem daarom heeft doen vergeven.

32) uit de spruit van haar wortelen

De zin is: In den staat, dat is in het rijk van Ptolomeus Filadelfus, zal Ptolomeus Euergetes zijn zoon opvolgen als een spruit of tak uit zijnen stronk, uit welke Berenice ook gesproten is, want Ptolomeus Euergetes was de broeder van Berenice, die in zijns vaders Ptolomeus Filadelfus staat opgevolgd zijnde, zijns zusters dood gewroken heeft aan Seleucus Callinicus, den koning in Syri‰.

33) met heirkracht komen,

Om te wreken den dood van zijn zuster Berenice.

34) konings van het Noorden,

Te weten van Seleucus Callinicus, die koning van Syri‰ was.

35) zal tegen dezelve doen,

Dat is, hij zal uitrichten hetgeen hij voornemen zal te doen; hij zal den dood van zijn zuster Berenice wreken aan den koning van Syri‰, hem afnemende het grootste deel van zijn koninkrijk.

36) hun goden,

Te weten, de afgoden der Syri‰rs. Meermalen wordt het woord goden gebruikt voor afgoden, of beelden der afgoden. Vergelijk Exod. 12:12.

Ex 12.12

37) hun gewenste vaten

Hebreeuws, vaten hunner begeerten.

38) staande blijven

Groter en machtiger zijnde dan de koning tegen het noorden. Zie het volbrengen dezer voorzeggingen in Polyb. in het 5 boek Appian. van de Syrische oorlogen, en Josef. in het 5 boek tegen Appian. Anders: hij zal enige jaren langer bestendig blijven dan de koning van het noorden. Enigen schrijven dat deze Ptolomeus geregeerd heeft zes en twintig jaren lang.

39) de koning van het Zuiden

Ptolomeus Euergetes.

40) in het koninkrijk komen,

Te weten in het koninkrijk van Seleucus Callinicus, den koning van het noorden.

41) hij zal wederom

Daartoe genoodzaakt zijnde door oproeren, die in zijn land opgerezen waren; anderszins was er grote mogelijkheid dat hij het gehele koninkrijk van Syri‰ zou hebben in genomen gehad. Inst. lib. 27. Anderen zetten Dan. 11:9 aldus over: En men zal in het koninkrijk des konings van het zuiden komen, weshalve hij wederkeren zal.

Da 11.9
42) zijn zonen

Te weten de zonen van Seleucus Callinicus, koning van het noorden. De zonen van dezen waren Seleucus Ceraunus en Antiochus de Grote.

43) [in strijd] mengen,

Tegen Ptolomeus Euergetes. Het woord strijd, hetwelk hier ingevoegd is, is genomen uit Dan. 11:25.

Da 11.25

44) [een van hen]

Te weten Antiochus de Grote, nadat zijn broeder Seleucus Ceraunus zou omgekomen zijn door vergif in het tweede jaar zijner regering, gelijk sommigen schrijven.

45) zal snellijk komen,

Hebreeuws, zal komende komen; te weten om tegen Ptolomeus Euergetes te oorlogen, als hij het minst dat vermoedde. Appian.

46) overstromen en doortrekken;

Dat is, doorbreken, overstromen, te weten tot aan Egypteland trekkende door Syri‰ en het Joodse land tot Rafiam toe, weder innemende die plaatsen, die zijnen vader door den koning van Egypte waren afgenomen geweest.

47) hij zal wederom komen,

Te weten in Egypte, tegen Ptolomeus Filopator, den zoon van Ptolomeus Euergetes. Hij is met een machtig heirleger weder te velde gekomen, en nadat hij den koning van Egypte geslagen had, is er geschied hetgeen hier volgt op het einde van Dan. 11:10.

Da 11.10

48) zijn sterke plaats toe.

Te weten de vaste stad van den koning van Egypte genoemd Rabbattamessana of Rafiam aan de grenzen van Egypte gelegen, welke vaste stad hij Ptolomeus zal afnemen. Polyb. lib. 5.

49) de koning van het Zuiden

Ptolomeus Filopator de zoon van Euergetes, zal tegen Antiochus den Grote met bitteren toorn ontstoken worden.

50) [ook] een grote menigte oprichten zal,

Dat is, die ook een groot heirleger te velde brengen zal.

51) die menigte

De menigte van Antiochus, of het krijgsheir zal door Filopator overwonnen worden. Lees Polyb. in het 5 boek, Strab. in het 16 boek Geogra.

52) Als die menigte

Dat is, als de heirkracht van Antiochus den Grote zal verslagen zijn. Zie het derde boek der Maccabe‰n, en Josef. in het 12 boek van de Joodse oudheid, hoofdstuk 3. Deze slag, in welken Antiochus overwonnen is, is geschied bij Rafiam, Polyb. lib. 5.

53) zijn hart zich verheffen,

Te weten het hart van Ptolomeus Filopator.

54) [enige] tien duizenden nedervellen;

Dat is, vele duizenden, zo van het heirleger zijns vijands, alsook van de Joden.

55) zal hij niet gesterkt worden.

Overmits hij uit hoogmoed zijnen vijand Antiochus verachten en de overwinning niet vervolgen zal. Ook zal hij kort daarna sterven.

56) de koning van het Noorden

Antiochus de Grote.

57) aan het einde van de tijden der jaren,

Dat is, na die tijden, na enige jaren, te weten als Ptolomeus Filopator zal gestorven zijn, en zijn zoon Epifanes, nog een kind zijnde, in zijne plaats zal gekomen zijn, welken hij in zijn land vallen zal.

58) zal hij snellijk komen

Anders, zal hij elke reis komen, of nu en dan komen, of dikwijls komen. Hebreeuws, zal hij komende komen.

59) velen opstaan

Te weten Joden, of andere omliggende koningen en volken met Antiochus aanspannende.

60) tegen den koning van het Zuiden;

Tegen Ptolomeus, zich voegende bij Antiochus.

61) de scheurmakers uws volks

Hebreeuws, de kinderen des verbrekers; of doorbrekers van uw volk; o Dani‰l, dat is, uit de Joden, die met hunne handelingen de republied als in stukken scheuren. Sommigen verstaan dit van den priester Onias en zijn aanhang, die naar Egypte zijn getrokken, en hebben aldaar een tempel en altaar opgericht, voorgevende dat zij dat deden om te bevestigen het gezicht of de profetie van Jesaja, Jes. 19:19,21: Te dien dage zal de HEERE een altaar hebben in het midden van Egypteland, enz.

Isa 19.19

62) zullen verheven worden,

Namelijk tot eer, of zullen zich verheffen, dat is, opwerpen, om scheuring aan te richten.

63) om het gezicht

Dat is, opdat God aldus deze profetie van Dani‰l bevestigt, de harten zijner uitverkorenen des te meer van de overige delen derzelve verzekerd worden. Anderen verstaan het van hun voornemen om de profetie van Jes. 19:19,21 naar hunne beduiding te vervullen.

Isa 19.19,21

64) te bevestigen,

Hebreeuws, te doen staan.

65) zij zullen vallen.

Hebreeuws, struikelen, aanstoten; dat is, zij zullen teniet komen.

66) de koning van het Noorden

Antiochus de Grote zal komen tegen Ptolomeus Epifanes. En hier wordt gesproken van den tweeden tocht van Antiochus tegen Epifanes.

67) een wal opwerpen,

Zie de aantekening 2 Sam. 20:15; Jer. 32:24, en Jer. 33:4. De zin is, hij zal ze belegeren en innemen.

2Sa 20.15 Jer 32.24 33.4

68) en vaste steden innemen;

Hebreeuws, ene stad der vastigheden; dat is, enige stad hoe vast ze zij, zal hij innemen.

69) armen van het Zuiden

Dat is, de kloeke veldoversten en kapiteins van den koning van het zuiden, dat is van Egypte. Van het woord [armen] voor oversten; zie Ezech. 31:17, enz.

Eze 31.17

70) noch zijn uitgelezen volk,

Hebreeuws, noch het volk zijner uitgelezenen.

71) ja,

De zin is: Dat noch de oversten noch de soldaten van den koning van Egypte, zullen iets tegen Antiochus den Grote vermogen.

72) hij,

Te weten Antiochus, de koning van het noorden.

73) hem komt,

Tegen Ptolomeus Epifanes.

74) in het land des sieraads,

Dat is, in het Joodse land. Zie de aantekening boven Dan. 8:9. Anderen: in het land Zebi. Dani‰l geeft met deze woorden te verstaan dat Antiochus niet alleen Egypte zou aantasten, maar ook Judea, hetwelk hij den Joden tevoren zegt, opdat zij zouden weten dat het alles geschiedt door de voorzienigheid van God.

Da 8.9

75) de verderving zal in zijn hand wezen.

Dat is, hij zal het gehele Joodse land kunnen verderven. Of de zin is: Hij zal kunnen doen en volbrengen wat hij wil. Alzo wordt het woord voleinding somtijds genomen voor vervulling en volbrenging, maar meest betekent het een uiterste verderving. Zie Gen. 18:21. Zie de vervulling dezer profetie bij Josefus lib. 12. Antiq.cap. 3, en Polyb.lib. 11.

Ge 18.21
76) te komen,

Te weten tegen Ptolomeus Epifanes, den koning van Egypte.

77) hij zal billijke voorwaarden medebrengen,

Hebreeuws: En billijkheden met hem; of: en daar zal gerechtigheid met hem zijn. Zie voren Dan. 11:6.

Da 11.6

78) hij zal het doen;

Hij zal het doen, of hij zal ze doen; dat is, hij zal ze voltrekken, te weten de beloofde voorwaarden, doch niet oprecht, maar arglistig, totdat hij gelegenheid zou vinden om zijn bedrog in het werk te stellen.

79) hem

Te weten Ptolomeus Epifanes, den koning van Egypte.

80) een dochter der vrouwen geven,

Dat is, ene huisvrouw onder de vrouwen in schoonheid uitstekende, te weten zijn eigen dochter Cleopatra. Anders: ene dochter [zijne] vrouwen; dat is, ene dochter van ene van zijne vrouwen, dat is, ene van zijne dochters.

81) om haar te verderven,

Dat was wel eigenlijk zijn voornemen niet, maar het zou er wel lichtelijk uit ontstaan zijn, indien zij haars vaders raad gevolgd en haren man door vergif of anderszins omgebracht had. Anders: haar arglistiglijk verdervende, namelijk haar bevelende dat zij haren man moest van kant helpen; opdat hij dan, als voogd over zijne dochter, Egypte mocht innemen.

82) zij zal niet vast staan,

Zij zal in dat boos voornemen, hetwelk haar vader van haar begeerde, en hetwelk zij, zo het schijnt, hem eerst beloofd had, niet voortvaren; zodat Antiochus van zijne eigen dochter is bedrogen geworden.

83) zij zal voor hem niet zijn.

Dat is, zij zal Antiochus den Grote, haars vaders, bozen wil niet doen, maar zij al haren man getrouw blijven. Dit alles alzo geschied te zijn, betuigt Livinus in het derde boek. Decad. 4.

84) tot de eilanden keren,

Die het Romeinse gebied onderworpen waren, als Cyprus, Phocea, Samus, Rhodus, Colofon, Eubea, enz.; of, eilanden kan hier ook wel betekenen vergelegen landen over zee.

85) een overste

Te weten een van de veldoversten der Romeinen, genoemd Marcus Acilius, alsook Lucius Scipio Nasica. Van het woord overste zie Richt. 11:6; hier betekent het een consul der Romeinen.

Jud 11.6

86) zijn smaad

Versta, dien smaad, dien Antiochus den Romeinen aangedaan heeft, vallende in hun land, en enige plaatsen van hetzelve innemende; ook enigen van hunne bondgenoten beschadigende.

87) tegen hem doen ophouden,

Dat is, tegen het volk van Rome, hetwelk deze overste vertegenwoordigde.

88) zijn smaad op hem zal doen wederkeren.

Dat is, de Romeinse overste zal daarmede niet tevreden zijn, dat hij zal doen ophouden den smaad, dien Antiochus het volk van Rome en het ganse Romeinse rijk, mitsgaders hunnen vrienden, heeft aangedaan, hem weder afgenomen hebbende die landen, die hij van de Romeinen en hunne vrienden genomen had; maar hij zal nog daarenboven dien smaad over Antiochus brengen, dat hij hem van een groot deel van zijn rijk berovende, en een zware belasting hem opleggende, hem dwingen zal dat hij zich binnen zijne grenzen zal moeten houden, namelijk aan gene zijde van den berg Taurus. Zie hiervan breder Liv.lib. 8. Decat. 4. Appia. in Syriacis en Memmon in het 13e en 14e boek.

89) zijns lands,

Te weten naar Syri‰, waarheen hij vluchten zal, en zich onthouden binnen zijne sterkten, uit vrees der Romeinen, die hem dapper vervolgden met hunne heirlegers.

90) vallen,

Hij zal van zijn eigen onderzaten, ja boeren omgebracht worden, willende een tempel van den afgod Bel in Elam beroven, of zo anderen schrijven, den tempel van Dyndimeus Jovis, of Jovis Dodoneus. Deze geschiedenissen worden breder beschreven door Justinus in het 32e boek, en door Polyb. in het 5e, Strabo in het 16e Geogra. Vergelijk den schandelijken ondergang van Antiochus den Grote met hetgeen er geschreven staat Ps. 52:9, en Jes. 14:16, enz.

Ps 52.7 Isa 14.16
91) in zijn staat

Zie boven Dan. 11:7.

Da 11.7

92) een opstaan,

Te weten Seleucus Filopator, anders Soter genaamd, een zoon van den voorgaanden Antiochus den Grote.

93) een geldeiser doortrekken,

Of, geldvorderaar, pander, schatter, Hebreeuws, drijver. Dat is geweest Heliodorus, die het ganse Joodse land doortrekkende, den onderzaten veel geld, voor zijn koning, heeft afgeperst. Zie 2 Mach. 3.

94) in koninklijke heerlijkheid;

Of, voor de koninklijke majesteit.

95) in enige dagen

Of, in weinige dagen. Hij is gebroken, dat is omgekomen, kort nadat hij had gepoogd den tempel te Jeruzalem te beroven, 2 Mach. 4.

96) niet door toornigheden,

Niet door openbaren toorn, maar door heimelijke lagen van Heliodorus, die hem behendiglijk vergeven heeft, zijnen broeder Antiochus Epifanes ten gevalle.

97) een verachte

Antiochus Epifanes, die te Rome in gijzeling zijnde, heimelijk ontlopen is. Hij werd van de vleiers genoemd Antiochus Epifanes; dat is, de edele; maar anderen noemden hem met meerdere reden Epimanes; dat is, de dolle, of, razende. Zie zijne zotte daden in de historie van Polybius.

98) niet zal geven;

Of, niet zou geven; niet had behoren te geven, want het rijk kwam niet hem toe, maar Demetrius den zoon van zijn verstorven broeder Seleucus. Anders: denwelken zij [te weten de staten van het rijk] de eer van het koninkrijk niet gegeven hebben.

99) in stilheid komen,

Niet met geweld als een vijand, maar als een vriend, om als voogd het rijk te regeren, totdat Demetrius, de zoon van zijn verstorven broeder Seleucus Filopator, zou groot geworden zijn.

100) door vleierijen bemachtigen.

Of, met gladde woorden, gelijk onder Dan. 11:32,34. Zie de aantekening Ps. 35:6, en Ps. 73:18, en Jer. 23:12.

Da 11.32,34 Ps 35.6 73.18 Jer 23.12
101) de armen der overstroming

Of, de overstromende armen; dat is, de veldoversten en kapiteins van den koning in Egypte, die als een vloed in Syri‰ plachten te vallen, zullen van Antiochus Epifanes in den strijd verslagen worden. Sommigen verstaan de armen van de rivier de Nijl.

102) overstroomd worden

Dat is, overwonnen worden.

103) de vorst des verbonds.

Dat is, de vorst met wien het verbond gemaakt was, te weten Trifon, een van de voornaamste heren van Egypte, die met Antiochus Epifanes een verbond gemaakt heeft, en hem raad gaf dat hij zijne heirlegers zou achterlaten, en met de kroon van Egypte [alzo de koning Ptolomeus Filometro toen nog een kind was] in een verbond treden en de voogdij over Filometor, de zoon van zijne zuster Cleopatra, aannemen zou; maar hij, dit teweeggebracht hebbende, heeft onder dat deksel zelf het rijk ingenomen, eerst den voornoemden Trifon van kant geholpen hebbende. Anderen vertalen en verklaren deze woorden alzo: Daartoe zal hij een wederpartijder des verbonds zijn, hij, te weten Antiochus. Het Hebreeuwse woord wordt, naar sommiger gevoelen, somtijds in deze betekenis genomen. Zie Dan. 10:13.

Da 10.13
104) met hem

Te weten met denzelfden Trifon; of, gelijk anderen dat nemen, met Ptolomeus Filometor, den koning van Egypte.

105) zal hij bedrog plegen,

Nemende wel met zich weinig krijgsvolk, maar kloeke, getrouwe, welgeoefende helden, en door hen zich van de voornaamste sterkten van Egypte verzekerende.

106) hij zal optrekken,

Te weten dieper en verder in Egypte.

107) hij zal met weinig volks

Of, hij zal zich met weinig volks versterken. Dit heeft Antiochus uit arglistigheid gedaan, om de Egyptenaars des te behendiger te bedriegen, en alzo met gemak, zonder groot geweld, dagelijks dieper en dieper in te kruipen, en zowel de sterkten als de onderzaten aan de hand te krijgen; hij voor zijn persoon te Memfis blijvende, hetwelk de koninklijke stad was, vanwaar hij het oog overal kon hebben.

108) des landschaps komen,

Te weten van Egypte.

109) hij zal doen,

Te weten het land van Egypte onder zijn geweld brengende.

110) roof, en buit, en goederen,

Anders: hij zal roven en buiten, en hij zal goederen of rijkdommen onder hen uitstrooien.

111) onder hen

Te weten onder degenen, die hij in de voornaamste steden en sterkten des lands zal leggen om alzo dezelve tot zich te trekken en aan zijne zijde te houden.

112) uitstrooien,

Dat is, met groten overvloed genieten laten.

113) de vastigheden zijn gedachten denken,

Die hij nog niet genoegzaam bezitten, of in zijne verzekering zal hebben in Egypteland. Hetgeen wat hier van Antiochus voorzegd wordt, is geschied omtrent het honderd zeven en dertigste jaar van de regering der Seleuciden.

114) tot een [zekeren] tijd toe.

Te weten totdat Filometor, de wettelijke koning, tot zijn mannelijke jaren zal gekomen zijn, want alstoen hebben de Egyptenaars het krijgsvolk en de garnizoenen van dezen Antiochus uit hun land verdreven, en hebben zichzelven in vrijdom gesteld.

115) tegen den koning van het Zuiden,

Te weten tegen Ptolomeus Filometor, den koning van Egypte. Dit is nu de tweede tocht, dien Antiochus Epifanes tegen Egypte doen zou, welks beleid en voortgang de engel hier te kennen geeft.

116) zal zich in den strijd mengen

Dat is, hij zal krijg voeren, te weten tegen Antiochus; zie Livius in het 45e boek.

117) hij zal niet bestaan,

Te weten Filometor.

118) zij zullen gedachten tegen hem denken.

De zin is: zijne raadsheren en hovelingen, Dan. 11:26, [door geschenken en beloften van grote dingen, door Antiochus ingenomen zijnde] zullen Filometor, hun jongen onbedreven koning, door hun trouwelozen raad bedriegen, en zij zullen Antiochus aanhangen, uit vrees dat hij, meester geworden zijnde, hen niet te schande make en verdelge.

Da 11.26
119) de stukken

Zie Dan. 1:5. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier en daar gevonden. Zie de aantekening aldaar. De zin is: Die zijn brood eten, te weten zijne raadsheren en dienaars.

Da 1.5

120) zijner spijze zullen eten,

Te weten Ptolomeus Filometor.

121) breken,

Dat is, onderdrukken, te weten door kwaden raad.

122) deselfs heirkracht

Te weten Antiochus tegen Filometor.

123) zal overstromen,

Of, zal overvloeien, of als een vloed inbreken.

124) vele verslagenen zullen vallen.

In het leger van den koning Filometor, 1 Mach. 1:19.

125) beider dezer koningen

Te weten nadat zij tezamen zullen vrede gemaakt hebben voor de tweede reis.

126) leugen spreken;

Zij zullen wel elkander uiterlijk veel grote vriendschap bewijzen, en alle goede diensten beloven, inzonderheid over tafel zijnde en goede sier makende, maar zij zullen het niet menen, het zal uit een geveinsd hart komen.

127) het zal niet gelukken,

Hunne beloften zullen ijdel en van gene waarde zijn. De beloften en contracten van vrede zullen niet bestendig zijn. Of, het zal geen voortgang hebben, dat zij listiglijk tegen elkander bedacht hebben, want God zal een anderen weg ingaan.

128) ter bestemder tijd.

Te dien tijde, dien God bestemd en verordineerd heeft, die door menselijken wil niet kan veranderd worden. Zie Dan. 11:29.

Da 11.29
129) hij zal [in] zijn land wederkeren

Te weten de koning Antiochus Epifanes.

130) met groot goed,

Te weten met groten buit en geroofde goederen, zo in Egypte als elders.

131) tegen het heilig verbond;

Dat is, tegen de Joden, met welken God een heilig verbond gemaakt heeft. Hebreeuws, tegen het verbond der heiligheid.

132) hij zal het doen,

Te weten dat hij voorhad; dat is, hij zal de Joden plagen. Zie 1 Mach. 1:22,23, enz., en 2 Mach. 5:11, enz.

133) in zijn land.

Te weten in Syri‰.

134) Ter bestemder tijd

Te weten, gelijk enigen menen, na twee jaren, als Filometor met zijn broeder Physcon verzoend was en hulp van de Romeinen verkregen had.

135) tegen het Zuiden komen,

Te weten tegen Ptolomeus Filometor, den koning in Egypte, dien hij belegeren zal.

136) het zal niet zijn gelijk de eerste,

Dat is, het zal Antiochus niet gelukken, gelijk het hem de eerste en laatst voorgaande reis gelukt is. Zie boven Dan. 11:22,25, de reden als volgt Dan. 11:30. De zin is, Antiochus zal over Ptolomeus Filometor zulke overwinningen in Egypte niet meer bevechten, gelijk hij in twee voorgaande ondernemingen gedaan heeft.

Da 11.22,25,30
137) Chittim

Dat is, van Cilici‰, waar de Romeinen gewoonlijk een vloot schepen hielden om over de Middellandse zee te heersen. Zie van Chittim, Gen. 10:4, en Num. 24:24. Ptolomeus Filometor, van Antiochus overheerd zijnde, heeft hulp aan de Romeinen verzocht en verkregen.

Ge 10.4 Nu 24.24

138) tegen hem komen,

Te weten tegen Antiochus.

139) daarom zal hij met smart bevangen worden,

Omdat hij door de Romeinen zal gedwongen worden met zijn leger uit Egypte te trekken. C. Popilius Laenas, veldoverste der Romeinen, heeft Antiochus zover gebracht, dat hij hem harde voorwaarden heeft voorgeslagen, en rondom hem met zijn staf in het zand een ring makende, belastte hem te besluiten en ronduit te antwoorden, of hij Egypte verlaten wilde of niet, eer hij uit dien ring of cirkel treden zou.

140) wederkeren,

Te weten naar Syri‰, zijn land, als hij Egypte zal moeten verlaten.

141) het heilig verbond,

Zie boven Dan. 11:28.

Da 11.28

142) hij zal het doen;

Te weten dat hij voorgenomen en in zijn toorn besloten had te doen, namelijk hij zal Jeruzalem overvallen, den tempel en de stad uitplunderen en den godsdienst afschaffen. Zie hiervan breder Josefus in het eerste boek van de Joodse oorlogen, hoofdstuk 1.

143) wederkerende

Niet in eigen persoon, maar hij zal er Apollinius henen schikken; zie 1 Mach. 1:30, en 2 Mach. 5:24.

144) hij acht geven

Dat is, hij zal hen tot zich trekken, versterken en helpen, om alzo de macht der vrome Joden te breken door de trouweloze Joden, gelijk daar waren Jason, Menelaus, en hunne aanhangers.

145) armen

Dat is, krijgsoversten met hunne soldaten, gelijk boven Dan. 11:22, om door dezen de Joden te dwingen. Anders: en de armen zullen hem bijstaan.

Da 11.22

146) uit hem ontstaan,

Dat is, uit zijn bevel ontstaan; dat is, gesteld worden, of gezonden worden binnen Jeruzalem en het Joodse land.

147) de sterkte,

Dat is, de sterke stad Jeruzalem. Anders: zij zullen ontwijden [Jeruzalem] de sterkte; dat is, Jeruzalem, hetwelk de sterkte van het Joodse volk is. Zie 1 Mach. 1:23, en 2 Mach. 5:15,16.

148) het gedurige [offer] wegnemen,

Dat is, het dagelijkse offer. Alzo is ook te verstaan, hetgeen de apostel zegt: Wees gedurig in het gebed, hetwelk niet te zeggen is, dat men niet anders doen moet dan bidden, maar dat men de dagelijkse oefening van het gebed nimmermeer moet verlaten. Zie boven Dan. 8:11.

Da 8.11

149) een verwoestenden gruwel

Dat is, soldaten, die alles verwoesten en de Joden tot afgoderij dwingen zullen. Zie hiervan breder 1 Mach. 1:23, enz., en Josef. Anderen verstaan hierdoor, een afgodisch beeld, hetwelk Antiochus op het altaar Gods heeft laten stellen; 1 Mach. 1:58,63.

150) stellen.

Hebreeuws, geven; versta, dat Antiochus' krijgsoversten dit doen zouden.

151) die goddelooslijk handelen

Of, de overtreders des verbonds, namelijk de afvallige Joden, die het verbond Gods zullen verachten, welken de engel Dan. 11:30 genoemd heeft verlaters van het heilige verbond.

Da 11.30

152) doen huichelen

Of, doen veinzen, opdat alzo door hen de vromen mochten ontdekt en in het net gebracht worden. Anders: zal hij ontheiligen; dat is, hij zal hen ten enenmale slecht en goddeloos maken, hen dagelijks meer en meer in hunne huichelarij versterkende.

153) hun God kennen,

Dat is, die den waren God kennen en eren, gelijk velen ten tijde van Judas Machabeus en zijne broeders geweest zijn.

154) grijpen,

Versta hierbij, en den tirannen overleveren.

155) zullen het doen.

Dat is, zij zullen het uitrichten naar hunnen wil. Of, zij zullen naar hunnen wil met hen handelen. Zie 1 Mach. 1:55.

156) de leraars des volks

Of, de verstandigen onder het volk, gelijk onder Dan. 12:3. De zin is: Ofschoon er velen, zelfs ook enige priesters, van den waren godsdienst afwijken, zo zullen er nochtans altijd enige leraars en godvruchtige, in Gods Woord ervaren personen zijn, die de zwakken zullen onderwijzen en versterken in het midden der zware vervolgingen.

Da 12.3

157) onderwijzen,

Te weten in de ware religie, uit de boeken der Heilige Schriftuur.

158) zullen vallen door het zwaard en door vlam,

Dat is, zo de leraars als hunne discipelen, die volstandig bij de ware religie blijven, zullen van Antiochus en zijne aanhangers wredelijk vervolgd worden. Zie 1 Mach. 1:40, enz., en 1 Mach. 2, 1 Mach. 3, 1 Mach. 4, en 2 Mach. 5, 2 Mach. 6, 2 Mach. 7, 2 Mach. 8. Josefus lib. 12, Antiq. Judaci, hoofdstuk 6,7. Vergelijk Hebr. 11:35,36,37,38.

Heb 11.35,36,37,38

159) [vele] dagen.

Of, enige dagen, alzo Dan. 8:27. Dat is, een tijdlang van God verordineerd.

Da 8.27
160) Als zij nu zullen vallen,

Dat is, als de vervolging op het heetst zal wezen.

161) met een kleine hulp geholpen worden;

Te weten door de Machabe‰n. Zie 1 Mach. 2:39, enz., en 1 Mach. 3, 1 Mach. 4, 1 Mach. 5, en 2 Mach. 8, en Josefus lib. 12, Antiq. Judaci hoofdstuk 7, 8, 9, 10, 11, 12. Die kloeke helden hebben met weinig volk de kerk Gods gered uit de handen van Antiochus en andere tirannen.

162) door vleierijen

Gelijk boven Dan. 11:21,32. Zie de aantekening Dan. 11:21. Doch hier betekent het huichelarij, geveinsdheid, schoon gelaat.

Da 11.21,32,21

163) tot hen voegen.

Te weten wanneer het den Joden wederom zal beginnen wel te gaan.

164) vallen,

Zie boven Dan. 11:33.

Da 11.33

165) om hen te louteren en te reinigen,

Dit is het oogmerk dat de Heere zal voorhebben. Anders: opdat hen [God] smelte; dat is beproeve, gelijk men het goud en zilver beproeft in den smeltoven; zie Dan. 12:10.

Da 12.10

166) tot den tijd van het einde toe;

Dat is, totdat de tijd der vervolging, van God bestemd, zal vervuld wezen.

167) want het zal nog zijn voor een bestemden tijd.

Anders: want nog ter bestemder tijd [zal het einde wezen]. Anders: want de bestemde tijd zal nog komen. Vergelijk Matth. 24:6, en de volgende tot Matth. 24:14, en zie boven de aantekening Dan. 11:27.

Mt 24.6,14 Da 11.27
168) En die koning

Van hier af tot het einde van Dan. 11: verstaan enigen dat de engel spreekt van den Antichrist van het Nieuwe Testament, of immers van Antiochus Epifanes, aangemerkt als een voorbeeld van den Antichrist, in zijn opkomst, hoogmoed, handelingen, afgoderij en tirannie. Want vele dingen, die hierna verhaald worden, inzonderheid Dan. 11:42,43, passen naar sommiger gevoelen niet op den koning Antiochus; want nadat hij door den Roomsen gezant Popilius gedwongen werd uit Egypte te vertrekken, boven Dan. 11:30, heeft hij naderhand nooit in Egypte durven komen. Enigen duiden het op den Turk, anderen op het Romeinse Rijk, en menen dat de dingen, die hier gezegd worden te verstaan zijn, sommigen van de Romeinse keizers, sommigen van de Roomse pausen, die, in het Romeinse Rijk opgerezen zijnde, mettertijd den keizers zelf vreeslijk geworden zijn.

Da 11.42,43,30

169) boven allen God,

Zie 2 Thess. 2:4, waar de apostel deze woorden aldus uitdrukt: Boven al dat God of goddelijke majesteit genoemd wordt.

2Th 2.4

170) tegen den God der goden

Die alleen is de enige ware God. Anders: ook boven den God der goden, hij zal wonderlijke dingen spreken.

171) totdat de gramschap voleind zij,

Dat is, totdat de toorn Gods tegen zijn volk ophoude, of totdat hij zal gedaan hebben hetgeen God in zijn toorn door hem zijn volk wil aangedaan hebben.

172) want het is vastelijk besloten,

Of, want dat juist besloten is, zal geschieden; niemand kan het besluit of voornemen Gods verhinderen of terughouden.

173) het zal geschieden.

Hebreeuws, het is geschied; dat is, het zal zekerlijk geschieden; de verleden tijd voor den toekomenden, om te tonen de zekerheid dezer profetie. Anderen: Als hetgeen wat precies bestemd is, zal geschied zijn.

174) op de goden zijner vaderen

Verachtende de religie zijner voorvaderen, zal hij alle man belasten zijne instellingen aan te nemen. Verstaat men dit op Antiochus te passen, zo zie 1 Mach. 1:43; indien op den paus, zo is het openbaar.

175) op de begeerte der vrouwen;

Verstaat men dit van Antiochus, zo is dit de zin: Hij zal zelf zijne vrouwen [van welke ene den God Isra‰ls op hare wijze eerde] niet toelaten dat zij enigen anderen god zullen eren dan zijn Jupiter Olimpius, of de begeerte der vrouwen; dat is, de gewenste en begeerlijkste vrouwen. Of, hij heeft wel willen schijnen niet te vragen naar vrouwen, maar ondertussen gruwelijke hoererij bedreven. Maar verstaat men dit van den Antichrist, zo is dit de zin, dat hij zijne geestelijkheid het huwelijk verbieden zal, en geenszins toelaten de kloosterbeloften te breken, bedrijvende ondertussen allerlei schandelijke onreinheid. Zie 1 Tim. 4:3.

1Ti 4.3

176) hij zal ook op geen God acht geven,

Alsof de engel zeide: Hij zal gans goddeloos zijn; hij zal zo hovaardig zijn dat hij zichzelven zal verheffen boven alle mensen, ja ook boven alles wat God is of genoemd wordt; doende alles wat hij doet tot zijn eigen eer en voordeel. Dit past ook bekwamelijker op den paus. Vergelijk 2 Thess. 2:3,4.

2Th 2.3,4
177) den god Mauzzim

De zin is: Antiochus zal vast overal een nieuwen godsdienst invoeren; en wat aangaat den God der sterkten, [vergelijk Jer. 16:19], of, den God van grote kracht, den God van Isra‰l, hij zal in zijne plaats, te weten in den tempel te Jeruzalem, eren een god, te weten dien god, welken zijne vaders niet gekend hebben, namelijk Jovis Olympius, dien zal hij eren met goud, enz.; zie 2 Mach. 6:2. Wil men dit op den Antichrist passen [wiens voorbeeld Antiochus geweest is], dat kan ook bekwamelijk geschieden. Anderen: en wat aangaat den God der sterkten, in zijne plaats zal hij eren, zal hij eren, zeg ik, een God welken zijne vaders, enz. Wat den God der sterkten belangt, zie boven Dan. 11:31; voor den God der sterkten hebben enigen het Hebreeuwse woord Mazzim, of Maozim in den tekst gehouden.

Jer 16.19 Da 11.31

178) zijn vaders niet gekend hebben,

Antiochus' voorouders hebben Jovis Olympius niet ge‰erd, maar Apollinus, Diana, Atargatides, gelijk Strabo getuigt in het zestiende boek Geogra. Alzo heeft ook de paus, in de plaats, dat is in de kerk of gemeente, van den waren God ingevoerd te eren een valsen god, dien zijne voorouders niet ge‰erd hebben, namelijk een versierden Christus, een hostie of een stukje brood, hetwelk hij versiert met goud, zilver en kostelijke paarlen.

179) met gewenste dingen.

Dat is, met allerlei kleinodi‰n.

180) zal de vastigheden

Of, hij zal de zeer sterke vastigheden een vreemden god bevelen. De zin is: Antiochus' meeste vastigheid en sterkte zal gelegen zijn om te doen eren dien vreemden god, te weten Jovis Olympius, als zijnde patroon of beschermer der stad Jeruzalem en het Joodse land. Dit wordt gesteld tegen het begin van Dan. 11:38, waar de ware God genoemd wordt de God der sterkten, hier en ook daar is het woord Mazzim.

Da 11.38

181) dengenen,

Dat is, degenen, die hij weten zal hem en zijnen afgod toegedaan te zijn; die hij voor zijne vrienden kennen zal; hij meent de afvalligen, die het heidendom zullen bijvallen, indien men dit op Antiochus duidt. Van den Roomsen Antichrist is de zaak klaar. Anders, die [dien], te weten afgod, kennen, dat is, aannemen en eren.

182) over velen,

Of, overtreffelijken, overvoortreffelijken. De zin is: Hij zal hen tot hoge staten bevorderen en hun het gebied over vele anderen geven.

183) om prijs.

Of, om winst, of om loon; dat is, dengenen, die hem geschenken en gaven geven. Al het voorgaande kan bekwamelijk op den paus gepast worden, gelijk ook de volgende verzen.

184) op den tijd van het einde,

Dat is, als de tijd, van God bestemd, zal verschenen wezen. Vergelijk boven Dan. 11:35. Sommigen verstaan hier door den tijd van het einde het einde van het rijk van Antiochus, of de vervolging van het volk Gods. Doch zie boven Dan. 9:27.

Da 11.35 9.27

185) de koning van het Zuiden

De Saracenen, die eerst op het Romeinse rijk geweld gedaan hebben. Anderen duiden het op Ptolomeus Filometor koning in Egypte.

186) met hoornen stoten;

Gelijk de stieren, bokken en andere gehoornde beesten doen. Vergelijk Dan. 8:6,7. De zin is: Hij zal een harden krijg tegen hem voeren.

Da 8.6,7

187) de koning van het Noorden

Sommigen verstaan hier den Turk, die het Saraceense rijk onder zich gebracht hebbende, met nog veel meerder geweld op het Romeinse rijk aangevallen is. Anderen duiden het op Antiochus Epifanes.

188) tegen hem aanstormen,

Dat is, als een stormwind op hem aankomen, of overkomen, of op hem aanlopen.

189) overstromen

Dat is, als met een watervloed haastiglijk wegspoelen.

190) doortrekken.

Of, voorbijgaan, gelijk Dan. 11:10 en elders.

Da 11.10
191) in het land des sieraads,

Of, in het sierlijke land; dat is, in het Joodse land, dat is, in de kerk Gods, door hetzelve afgebeeld. Zie de aantekening Dan. 8:9. Dit voorzegt de engel den Joden tot hun best, opdat zij indachtig zijnde dat hun dit alles overkwam door Gods voorzienige regering, zich daarin des te beter zouden kunnen schikken; en desgelijks de kerk van het Nieuwe Testament in de vervolging van den Antichrist.

Da 8.9

192) vele [landen]

Zie hetgeen er volgt Dan. 11:42,43.

Da 11.42,43

193) zijn hand ontkomen,

Dat is van Antiochus, gelijk sommigen dit nemen, niet verdorven worden, maar zij zullen van hem vriendelijk aangenomen worden, namelijk daarom, omdat zij vijanden van de Joden waren en hun telkens krijg aandeden. Sommigen verstaan dit van enige kerken van het Nieuwe Testament, die het geweld van den Antichrist zouden ontgaan, of hem niet onderworpen worden.

194) de eerstelingen der kinderen Ammons.

Anders: de voornaamste. Hebreeuws, het beginsel van de kinderen van Ammon.

195) aan de landen leggen,

Om die met geweld zich te onderwerpen.

196) niet ontkomen.

Hebreeuws, het zal niet zijn ter ontkoming. De zin is: Het zal ook al zijn moedwil en wrevel onderworpen wezen, gelijk Dan. 11:43 breder volgt.

Da 11.43
197) die van Libye,

Hebreeuws, Lubbim en Cushim.

198) zullen in zijn gangen wezen.

Of, zullen zijne gangen vergezelschappen; doch naar de letter is het: Zullen in zijne gangen wezen; dat is, zij zullen hem ten dienste staan en alle gehoorzaamheid bewijzen. De manier van spreken is genomen van de slaven en dienstknechten, die achter of omtrent hunne heren gaan en staan, om bij alle gelegenheid op hun bevel te passen. Die volken hebben van allen kanten met Antiochus [op wien sommigen dit duiden] Egypte aangevallen, van hem met grote bezoldigingen daartoe gekocht zijnde, want daar tevoren hadden zij Ptolomeus Filometor hulp gedaan. Of, in zijne gangen; dat is, hij zal door derzelver land passeren, hij zal voorrgaan, of zijne voortgangen zullen zijn in zijne landen, waardoor sommigen Oost- en West-Indi‰ verstaan, omdat het kennelijk is dat de Moren eertijds wijd en breed in Oost-Indi‰ geregeerd hebben, en ook van Afrika lichtelijk in Amerika tegenover liggende, hebben kunnen overtrekken.

199) de geruchten van het Oosten

De vervulling dezer zaak zal van God te zijner tijd worden geopenbaard. Sommigen duiden het op Antiochus Epifanes als een voorbeeld van den Antichrist. Doch velen verstaan het eigenlijk van den Antichrist.

200) verbannen.

Zie de aantekening Deut. 2:34.

De 2.34
201) hij zal de tenten

De zin is: Als hij bezig zal zijn om het volk Gods uit te roeien, zo zal zijn ondergang komen, en niemand zal hem kunnen redden, maar hij zal een ellendig einde hebben.

202) zijn paleis planten

Dat is, van zijn hof. Doch sommigen duiden dit op het afgodisch efodstuig van den Antichrist. Vergelijk Richt. 17:5, enz. en Hos. 3:4, met de aantekening. Verstaande zijn afgodische geestelijkheid en onreine afgoderij, waarvan Antiochus met zijn heidense afgoderij een voorbeeld was. 203 aan den berg des heiligen sieraads; Of, op den berg, of tegen den berg, te weten den berg Zion, dat is Gods kerk.

Jud 17.5 Ho 3.4

204) tot zijn einde komen,

Te weten tot het einde van zijn staat, dat over hem van God bestemd is.

Copyright information for DutKant