Isaiah 51:1

1) naar Mij,

Dit zijn de woorden van God tot zijne gemeente, haar troostende in hare droefenis, waarmede zij bevangen was, aanziende het kleine getal der gelovigen.

2) den rotssteen,

Dat is, Abraham, wiens lichaam van ouderdom verstorven was als hij de belofte ontving, dat hij Izak zou genereren, Rom. 4:19. Zie de aantekening Ps. 90:2.

Ro 4.19 Ps 90.2

3) uit gehouwen zijt,

Dat is, door mijne sterkte voortgebracht zijt.

4) [waar] gij

Versta hier, Sara, die onvruchtbaar was en wier lichaam van ouderdom verstorven was toen zij Izak ontvangen heeft; Rom. 4:19.

Ro 4.19

Luke 1:34-35

42) Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?

Dit vraagt zij overmits de engel haar, maagd zijnde, zulks aanzeide, zonder gewag te maken van haar toekomenden man; en zij verstond uit de woorden des engels dat zulks dadelijk zou geschieden, alzo dat deze vraag van Maria niet voortkwam uit enig ongeloof, gelijk de vraag van Zacharias, Luk. 1:18, maar alleen uit ene begeerte om in dezen nader onderricht te worden.

Lu 1.18
43) over u komen,

Namelijk om alzo te werken door Zijne kracht in u, dat gij zonder toedoen des mans ontvangen zult.

44) geboren zal worden,

Dat is, die heilige persoon.

45) Gods Zoon genaamd worden.

Hiermede wordt niet gezegd dat Christus de Zoon Gods zou zijn, omdat Hij van den Heilige Geest ontvangen is; want alzo zou Hij een Zoon des Heiligen Geestes zijn; maar omdat de ontvangenis uit den Heiligen Geest een zeker bewijs is dat de eeuwige Zoon Gods de ware menselijke natuur uit het vlees en bloed van Maria door de werking des Heiligen Geestes in enigheid zijns persoons heeft aangenomen. Hebr. 2:14; Fil. 2:7, gelijk Jesaja beide heeft geprofeteerd, Jes. 7:14.

Heb 2.14 Php 2.7 Isa 7.14

John 3:13

23) opgevaren in den

Grieks opgeklommen; dat is, met zijn verstand doorgedrongen tot volmaakte kennis der hemelse zaken, aangaande den raad Gods van de zaligheid der mensen, om die den mensen te openbaren; Rom. 10:6.

Ro 10.6

24) nedergekomen is,

Namelijk toen Hij de menselijke natuur heeft aangenomen, en van den Vader tot een Middelaar in de wereld gezonden is.

25) Die in de hemel is.

Namelijk ten aanzien van Zijn Goddelijke natuur, naar welke Hij hemel en aarde vervult; Col. 1:17; Hebr. 1:3.

Col 1.17 Heb 1.3

1 Corinthians 15:47

142) De eerste mens is

Namelijk Adam.

143) uit de aarde,

Namelijk ten aanzien van de stof, waaruit zijn lichaam geschapen is; Gen. 2:7.

Ge 2.7

144) aards;

Dat is, hebbende een lichaam, dat aards is en na den val sterflijk en verderflijk is geworden; Gen. 3:19. Gr. van stof; namelijk der aarde.

Ge 3.19

145) de tweede mens is

Namelijk Christus, die een waarachtig mens is en de tweede genaamd wordt vanwege den tijd, omdat Hij na den eersten gekomen is, gelijk Matth. 3:11; Joh. 1:27; en een tegenbeeld des eersten is geworden; Rom. 5:14.

Mt 3.11 Joh 1.27 Ro 5.14

146) de Heere uit den hemel.

Dat is, de hemelse Heere, gelijk in de volgende verzen uitgelegd wordt. Anderen lezen: is hemels uit den hemel, om de tegenstelling hare volle betekenis te beter te geven. Maar alle Griekse boeken lezen: de Heere uit den hemel, en dat past ook wel op de tegenstelling, alzo de apostel hier tegen elkander stelt niet den oorsprong der lichamen, maar de afkomst en waardigheid van beide deze personen, die elk zodanig lichamen aan degenen, die van hen afkomstig zijn, mededelen als zij zelf hebben, 1 Cor. 15:48. En Hij wordt gezegd uit den hemel te zijn, niet ten aanzien dat zijn menselijke natuur uit enige hemelse stof zou zijn voortgebracht, maar ten aanzien dat Hij, mens zijnde, ook waarachtig God is in ‚‚n persoon, en die nu, in den hemel zijnde, een verheerlijkt lichaam heeft, dat met hemelse en geestelijke hoedanigheden versierd is.

1Co 15.48
Copyright information for DutKant