Psalms 37:24
42) valt Verg. Spreuk. 24:16. Pr 24.16 Proverbs 24:17
41) valt; Te weten, in enig ongeluk of zwarigheid. 1 Corinthians 10:12
22) die meent te staan, Dat is, die zich laat dunken zo vast te zijn in het geloof, dat hij in zulke zonden niet zou vervallen. 23) zie toe dat hij Dat is, zij zorgvuldig dat hij daar door niet worde ten val gebracht, om die zonden en ergernissen te begaan, waarover God de Israelieten gestraft heeft. Waaruit blijkt dat de apostel de gelovigen niet vermaant tot vertwijfeling aan hunne zaligheid, tegen zijn eigen leer, Rom. 5:1, en Rom. 8:31, maar dat hij de eigendunkelijken alleen waarschuwt, om op zichzelven niet te steunen en de oorzaken te vlieden, waardoor zij ten val mochten gebracht worden. Want de ware gelovigen, wanneer zij uit zwakheid zouden mogen vallen, hebben de belofte van wederoprichting. Zie Ps. 37:24, en 1 Cor. 10:3 alhier. Ro 5.1 8.31 Ps 37.24 1Co 10.3
Copyright information for
DutKant