Isaiah 18:1-2

Inleiding

Dit is geen eenvoudig hoofdstuk. Maar dat hoeft ons niet af te schrikken om te proberen de betekenis van de profetie te ontdekken. Het zal ons in elk geval bescheiden houden en ons bewust maken dat we voor de uitleg afhankelijk zijn van de voorlichting van Gods Geest.

Als we bij het onderzoek van het profetische woord op moeilijkheden stuiten, mag ons dat extra aansporen de Heer te vragen ons duidelijkheid te geven. Dan geeft Hij altijd duidelijkheid naar de mate die wij kunnen bevatten en die voor de opbouw van ons geloofsleven nuttig is. Het gaat niet om vermeerdering van verstandelijke kennis van toekomstige gebeurtenissen, maar dat ons hart meer naar Hem zal uitgaan. Een moeilijkheid in de uitleg van de profetie heeft, als het goed is, die uitwerking. Tevens zal het ons voorzichtig maken in bepaalde gevallen al te stellige beweringen te doen.

Dit hoofdstuk is een voortzetting van Jesaja 17. Het begint niet met het woord ‘last’, maar met het woord “wee” dat ook in het vorige hoofdstuk wordt genoemd (Js 17:12), wat op een voortzetting duidt. In Jesaja 17 gaat het om de verdelging van Efraïm door de koning van het noorden; in dit hoofdstuk gaat het om de verdelging van Israël, in dit geval vooral Juda, door dezelfde koning van het noorden. Dit hoofdstuk verklaart hoe de positie van Juda is ten tijde van de aanval van de koning van het noorden.

Het land aan de overkant van de rivieren

Opmerkelijk is dat het hoofdstuk niet begint met een nieuwe ‘last’, maar met een “wee” (Js 18:1). Een ‘wee’ is een aankondiging van een boodschap van oordeel. Zoals hiervoor al is opgemerkt, lijkt dat erop te wijzen dat het een direct vervolg is van het vorige hoofdstuk (Js 17:12-14), waar een ‘wee’ (Js 17:12) wordt uitgesproken over het woeden van de volken.

Het eerste kenmerk van het land waarover Jesaja nu gaat profeteren, vinden we in de aanduiding dat het een land is van “vleugelgegons” of dat “schaduwachtig is aan de frontieren” (Statenvertaling). Een vleugel ziet net als schaduw op bescherming (Ru 2:12; Ps 17:8; Ps 36:8; Ps 57:2). Alleen gaat het hier niet om de vleugel of bescherming van de HEERE. Het is een machtig land dat gekenmerkt wordt door het geluid van vliegende wezens. Kunnen wij hierbij denken aan een luchtmacht? Het woord vleugelgegons is ook verbonden aan het geluid van een sprinkhanenzwerm. Cusj is een land waar veel sprinkhanenplagen voorkomen.

De beschrijving spreekt vervolgens over een land “dat aan de overkant van de rivieren van Cusj” ligt (Gn 10:6; vgl. Zf 3:10). Daarmee wordt niet alleen Ethiopië bedoeld. Tot Cusj behoorden het tegenwoordige Zuid-Egypte, Soedan en Noord-Ethiopië. Het land ligt “aan de overkant van de rivieren” (meervoud). Deze rivieren zijn de Nijl en de Eufraat. De Cusjieten vinden we ook in Mesopotamië, bij de Eufraat en de Tigris.

Verder staat er dat het een land is aan “de overkant” van die beide rivieren. Dat hoeft niet per se te betekenen dat het direct aan de overkant is, want ‘overkant’ kan ook worden vertaald met ‘langs’. Het Hebreeuwse woord me-eber betekent ook ‘tot voorbij’. Dan kan het ook verder weg liggen dan vlak erbij. Het is een ander land dan de landen en volken waarover in de profetieën wordt gesproken en die in de buurt van Israël liggen. Dit land moet ver van Israël vandaan liggen.

Gezanten tot Israël

Dat land zendt “gezanten … over de zee” – wat betekent dat het land niet in de buurt ligt – tot een volk dat “getrokken en geplukt” is (Js 18:2). Dat sluit precies aan bij het slot van het vorige hoofdstuk. Israël is dat getrokken en geplukte volk. Zijn vijanden hebben het uit zijn land getrokken en kaalgeplukt. Het is een “gevreesd” volk, in de zin van wonderbaar of geducht, omdat het een wonderbare en geduchte God heeft Die een wonderbaar plan heeft met Zijn volk. Het doel van het gezantschap lijkt om Juda te bewegen een bondgenootschap met hem aan te gaan tegen Assyrië.

Het gezantschap van “snelle boden” gebruikt “boten van biezen” (vgl. Jb 9:26a). Het zijn ‘snelle’ boden, want de tijd dringt voor dat land. Juda lijkt een goede bondgenoot, want het heeft een sterk leger en een reputatie die vrees inboezemt. Egypte, Kanaän en de omringende volken hebben het vroeger ondervonden. Dat het om Juda moet gaan, blijkt ook uit de beschrijving dat het een volk van “regel op regel” is omdat God het Zijn wetten, de Thora, met regelgeving heeft gegeven.

Het is ook een volk “van vertrapping”, want het is vele malen in zijn geschiedenis vertrapt. Het is een land dat door rivieren van zijn land wordt beroofd, wat wil zeggen dat Israël vele malen van zijn vrijheid is beroofd door landen aan de rivieren. We kunnen hierbij denken aan Assyrië (Js 8:7; Js 17:12).

Het verre land aan de andere zijde van de rivieren spant zich in om met de Joden een verbond te sluiten en het lijkt allemaal te slagen. Als de geschiedkundige uitleg van dit gedeelte moeilijk te verklaren is, dan lijkt de profetische uitleg toch duidelijker. Een vergelijking met andere gedeelten uit de Bijbel suggereert – gezien vanuit het perspectief van Jesaja – dat dit verre land mogelijk het toekomstige herstelde Romeinse rijk zal zijn, Europa met bondgenoten. De profeet Daniël spreekt over een verbond voor velen en de vleugel van gruwelen (Dn 9:27) en het eren door de antichrist van de god van de vestingen, dat wil zeggen een sterke militaire macht (Dn 11:38).

Copyright information for DutKingComments